Buienlijn

 

Op zomerse dagen waarbij de temperatuur behoorlijk oploopt komen nog wel eens stevige buien voor. Deze buien vormen vaak de afsluiting van een kortere of langere warme periode. Ze ontstaan dan ook vooral net voor of op een overgang tussen warme en koude lucht, een koufront. Soms ontstaan er buien verspreid over een groot gebied, maar het komt ook voor dat de buien in een lijn gegroepeerd over het land trekken. Waarom hebben we vaak met losse buien te maken en vormt zich soms een buienlijn? En wat zijn de gevolgen van een buienlijn?

Buien ontstaan in een onstabiele lucht, wanneer de lucht onderin de atmosfeer veel warmer is dan de lucht erboven. De warme lucht is minder zwaar dan de koude lucht en stijgt op. Door de lagere luchtdruk op grotere hoogte wordt de lucht koeler en kan de lucht minder vocht bevatten. We zien dan de vorming van stapelwolken (Cumulus). Als er tot grote hoogte flink koudere lucht aanwezig is (meer dan 3 kilometer) dan vormen zich buienwolken (Cumulonimbus). Daarbij is een sterke opwaartse stroming aanwezig in de buienwolk aan de kant die de bui op beweegt. Onder de wolk en vooral ook aan de achterzijde is een krachtige neerwaartse luchtstroom aanwezig en daar valt ook de neerslag.

Bij buien van meer dan 6 kilometer hoog botsen door de opwaartse en neerwaartse stroming veel water en ijsdeeltjes tegen elkaar en vindt een scheiding van deeltjes plaats. Bovenin de wolk verzamelen zich deeltjes met een tegengestelde lading ten opzichte van onderin de wolk. Door het spanningsverschil tussen de boven- en onderkant van de wolk ontstaan er bliksemschichten. Bovendien kunnen door het rondgaan van ijskristallen door de ijskoude top en de warme basis van de wolk hagelstenen ontstaan.

Op plaatsen waar de lucht voldoende opgewarmd wordt en onstabiel wordt kunnen buien ontstaan. Deze ontwikkelen zich vaak verspreid over het land op warme zomerdagen met verder vrij weinig bewolking. De onstabiliteit, die nodig is om buien te laten ontstaan, kan ook veroorzaakt worden door een instroom van koude lucht bovenin de atmosfeer. Dit gaat vaak samen op met naderende koude lucht en een lagedrukgebied dat niet ver weg ligt. Bij een uitloper van dit lagedrukgebied, een trog, vindt de instroom van koude lucht en de vorming van de buien plaats. De buien schikken zich dan op de lijnvormige trog als een langgerekt cluster, waarbij meestal een gebied met krachtige windstoten aan de voorkant aanwezig is door de sterke verticale stromingen.

Bij het voortbestaan van een bui is de verplaatsing een belangrijke voorwaarde. Daardoor schuift de bui steeds over warme lucht, die door de bui dan ingezogen blijft worden. Zou er nauwelijks wind aanwezig zijn, dan wordt de warme lucht onderin steeds meer afgekoeld door de dalende koude lucht en de neerslag. De afgekoelde uitstromende lucht vormt ook weer de instroom waardoor de voeding wegvalt en de bui uitsterft.

Er kan ook een scheiding van de instroom en uitstroom ontstaan wanneer er veel windschering is. Dat betekent dat er een verschil in windrichting is tussen de wind aan de grond en de wind op enige hoogte. De instroom reikt aan de voorkant van de bui vrij snel tot grotere hoogte. Op lagere hoogte komt de wind uit een andere richting, waardoor de uitstroom zich aan een andere kant van de bui bevindt dan de instroom. Ook met voldoende windschering kan de bui dus langer blijven bestaan.

Voor een buienlijn uit kunnen stevige windstoten voorkomen, die overlast en schade kunnen veroorzaken. Soms worden de buien voorafgegaan door een rolwolk, die ontstaat door de krachtige verticale stromingen. Ook is dan een windhoos mogelijk. De buien zelf kunnen tot grote hoogte reiken, waardoor onweer voorkomt en hagelstenen kunnen vallen. Dan valt vaak in korte tijd veel neerslag.